|
PBL 0359
Uitvoeringsrichtlijn voegen van metselwerk Publicatie Nr. : PBL0359/09 Datum uitgifte : 2009-01-05 Uitgever : IKOB-BKB Erkend door de Raad voor Accreditatie Deze publicatie heeft betrekking op de uitvoeringsrichtlijnen voor het voegen van metselwerk bestaande uit gemetselde baksteen-, bouwblokken en -stenen van beton-, cellenbeton- en kalkzandsteenconstructies, zowel bij nieuwbouw als bij restauratie- en renovatiewerk. Integraal onderdeel van deze publicatie vormt CUR-Aanbeveling 61 "Het voegen van metselwerk" welke betrekking heeft op het toepassen van cement-, kalk- en bastaardmortel. CUR-Aanbeveling 61 geeft definities en classificaties ten behoeve van het stellen van eisen aan te leveren navoegwerk in metselwerk en voor het controleren van de kwaliteit van het geleverde voegwerk. Verder worden er regels gegeven voor het samenstellen van voegspecies en het verwerken daarvan. Achtereenvolgens zullen in de deze publicatie de navolgende eisen worden omschreven:
Voor de begrippen (termen en definities) betrekking hebbende op het voegen wordt verwezen naar hoofdstuk 4 van genoemde CUR-Aanbeveling. Metselwerkconstructie: Een hechte (geordende) samenstelling van metselbaksteen, bouwblokken en -stenen van beton, cellenbeton of kalkzandsteen (stenen, blokken of elementen), metselmortel, voegmortel, eventuele waterkerende voorzieningen, wapening en andere hulpmaterialen. Voeg Een met mortel gevulde ruimte tussen de stenen, blokken of elementen van metselwerk. Voegwerk Het geheel van afgewerkte voegen gerealiseerd door middel van het inbrengen van voegspecie van in het algemeen andere samenstelling en consistentie dan de toegepaste metselmortel. Voegspecie Het met water aangemaakte, (nog) verwerkbare mengsel van bindmiddel(en), toeslagmateriaal en eventuele hulpstoffen en toevoegingen. Voegmortel De verharde voegspecie, ook wel het mengsel van droge bestanddelen. Voeghardheid De hardheid van de voegmortel in de voeg bepaald volgens bijlage A van CUR-Aanbeveling 61. Indien voegwerk wordt uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen van deze publicatie, dan worden de prestaties bereikt zoals hierna wordt aangegeven. Waterdichtheid en regenwerendheid Een uitwendige scheidingsconstructie (het totaal van binnen- en buitenspouwblad) is waterdicht overeenkomstig NEN 2778 indien onderhavige uitvoeringsrichtlijn worden opgevolgd (zie ook NPR 2652). Opmerking
Deze prestatie sluit aan op afdeling 3.6, 4.12, 4.13 en 4.14 van het Bouwbesluit. Bescherming tegen ratten en muizen In een metselwerkconstructie die is gevoegd conform onderhavige uitvoeringsrichtlijn komen geen onafsluitbare openingen voor die breder zijn dan 0,01 m. Opmerking
Deze prestatie sluit aan op afdeling 3.17 van het Bouwbesluit. 3.1 Algemeen Over het algemeen behoort het ontwerp van het voegwerk (voegtype, voeghardheid e.d.) niet tot de verantwoordelijkheid van de aannemer van metselwerken en ook niet tot de verantwoordelijkheid van het voegbedrijf. Dit neemt echter niet weg, dat het uitvoerend bedrijf gehouden is om vooraf het ontwerp aan de hand van het relevante deel uit het bestek en tekeningen te beoordelen op uitvoerbaarheid en te (laten) toetsen aan de Beoordelingsrichtlijn "Vervaardiging van metsel- en lijmconstructies en/of voegwerk" BRL 2826, en de onderhavige uitvoeringsrichtlijn. Daarbij dient ten minste aan de navolgende aspecten, voor zover relevant, aandacht te worden besteed:
Bij geconstateerde afwijkingen in het ontwerp, bestek en/of tekeningen, dient dit schriftelijk te worden vastgelegd naar de opdrachtgever dan wel te worden opgenomen in het contract. Om deze controle vóóraf op een juiste wijze uit te kunnen voeren wordt sterk aanbevolen, dat de opdrachtgever c.q. aannemer vier tot acht weken vóór de datum van uitvoering contact opneemt met het uitvoerend bedrijf. 3.2 Kleur en structuur van het voegwerk Eisen ten aanzien van kleur en structuur van het voegwerk dienen te worden vastgelegd in een proefstuk en dienen vooraf te worden overeengekomen met de opdrachtgever. 3.3 Afwijkingen Door of namens de opdrachtgever kan toestemming worden verleend om van deze Uitvoeringsrichtlijn c.q. CUR-Aanbeveling 61 af te wijken, bijvoorbeeld in geval van restauratiewerk. In dat geval moet in de technische omschrijving en/of in het bestek de afwijkingen te worden vermeld. In ieder geval dienen deze afwijkingen schriftelijk te zijn vastgelegd. Indien ten aanzien van het voegwerk geen eisen in het bestek, opdracht of contract zijn vermeld, dient het uitvoerend bedrijf materiaalspecificaties, classificatie, voegtype, voegkleur en voegstructuur schriftelijk naar de opdrachtgever c.q. aannemer vast te leggen. In het bestek of het contract dient de kwaliteitsomschrijving van de toe te passen voeg en voegmortel te zijn opgenomen. De verantwoordelijkheid voor de specificatie van de toegepaste voegmortel ligt bij de inkopende partij. Indien een dergelijke omschrijving niet aanwezig is dient de opdrachtgever te worden geïnformeerd en dit op het IKB-formulier te worden vermeld. 4.1 Eisen aan materialen en grondstoffen De in de voegmortel toe te passen materialen en grondstoffen dienen te voldoen aan de eisen zoals vermeld in CUR-Aanbeveling 61, hoofdstuk 6. Indien voor de betreffende materialen een Nationale beoordelingsrichtlijn voorhanden is dienen de materialen en grondstoffen daaraan te voldoen. Indien voor de te gebruiken materialen en/of grondstoffen een geldig KOMO-productcertificaat is afgegeven door een door de Raad voor Accreditatie erkende certificatie-instelling, mag worden aangenomen dat aan de in de betreffende BRL gestelde eisen wordt voldaan. 4.2 Levering van de materialen Levering van de materialen en grondstoffen dient te geschieden overeenkomstig hoofdstuk 8 van CUR-Aanbeveling 61. De eigenschappen van de grondstoffen en fabrieksmatig vervaardigde voegmortels mogen door de verpakking, opslag en transport niet nadelig worden beïnvloed. 4.3 Kwaliteit en classificatie voegmortels 4.3.1 Kwaliteit voegmortels De vereiste eigenschappen van het voegwerk moeten worden overeengekomen door het aangeven van de toepassingsklasse, de bijbehorende voeghardheidsklasse en het voegtype. Eventueel kunnen aanvullende eisen worden gesteld ten aanzien van de bestandheid van het voegwerk tegen zure regen en tegen de inwerking of kristallisatie van sulfaten en/of chloriden, alsmede de kleur, de vorstbestandheid en de porositeit. De kwaliteit van de voegmortel dient te voldoen aan CUR-Aanbeveling 61 "Het voegen van metselwerk". Voegmortels dienen bovendien te voldoen aan de eisen, die zijn opgenomen in BRL 1904 "Droge cementgebonden mortels". Indien voor de betreffende voegmortel een geldig KOMO-productcertificaat is afgegeven door een door de Raad voor Accreditatie erkende certificatie-instelling, mag worden aangenomen dat aan de gestelde eisen wordt voldaan. In het KOMO-productcertificaat is naast een verklaring van de certificatie-instelling opgenomen een omschrijving van de kwaliteit en enkele wenken voor de afnemer. Op de door de producent mee te leveren afleveringsbon of op de verpakking dient een aantal gegevens te zijn vermeld. In de betreffende BRL en/of het productcertificaat is aangegeven welke gegevens vermeld dienen te worden. 4.3.2 Toepassingsklasse Afhankelijk van de omstandigheden en de belasting waaraan het metselwerk wordt bloot gesteld, worden toepassingsklassen onderscheiden zoals aangegeven in tabel 1. Tabel 1. Toepassingsklassen metselwerk
2) Als normaal absorberend gelden niet van glazuur, waterdichte coating of hydrofoberende laag voorziene stenen, blokken en elementen, waarvan de initiële wateropzuiging conform NEN-EN 772-11 groter is dan 0,5 kg/m².min met een maximum van 4,0 kg/m².min (dit komt overeen met klasse IW2 en IW3 conform BRL 1007). 4.3.3 Voeghardheidsklasse Bepalend voor de classificatie naar voeghardheid is de hardheid van de lintvoeg. De benodigde voeghardheidsklasse volgt uit de vastgestelde toepassingsklasse (zie tabel 2)en uit de minimale eisen en bijzondere bepalingen van deze paragraaf. De te onderscheiden voeghardheidsklassen en een richtlijn voor de samenstelling zijn gegeven in tabel 2. Zie voor de classificatie van de voegtypen tabel 3 van CUR-Aanbeveling 61. Minimale eis voeghardheidsklasse Indien geen afspraken zijn gemaakt over de voeghardheid dient het voegbedrijf een minimale voeghardheidsklasse van VH25 te realiseren. Voeghardheidsklasse aan de hand van toepassingsklasse Tabel 2. Classificatie Voeghardheid en richtlijn samenstelling
2) Bij mechanisch verdichten. Handmatig verdichten is in dit geval mogelijk, echter voor het verkrijgen van een constante en hogere kwaliteit (bijvoorbeeld: het uitvlakken van aanzetten en een betere aansluiting van de voeg op de steen) heeft mechanisch verdichten de voorkeur. Bijzondere bepalingen voor de voeghardheidsklasse en hydrofoberen Indien gebruik wordt gemaakt van een gehydrofobeerde steen dient het voegwerk altijd gehydrofobeerd te worden. De voeghardheid mag in dit geval (en indien hier geen aanvullende afspraken over zijn gemaakt met de opdrachtgever) minimaal 25 bedragen. VH15 volstaat voor toepassingsgebied III en IV indien het voegwerk gehydrofobeerd wordt. In alle gevallen mag pas gehydrofobeerd worden nadat de voeghardheid is bereikt. Toelichting
De voeghardheid van een gehydrofobeerde voeg in combinatie met een gehydrofobeerde steen is minder van belang vanwege het weinig wateropnemend vermogen van beide onderdelen en daarmee een verlaagde kans op onder andere een overmatige vochtbelasting op de voeg waardoor een verlaagde kans op vorstschade van de voeg en op uitbloeïngen op het metselwerk ontstaat. Indien gebruik wordt gemaakt van een weinig zuigende steen mag, in tegenstelling tot tabel 2, een voeghardheidsklasse van minimaal VH25 worden toegepast indien het voegwerk wordt gehydrofobeerd. Indien sprake is van liggend metselwerk (al het metselwerk met een kleinere hellingshoek dan 45º waardoor een verhoogde vochtbelasting op kan treden) dient het voegwerk gehydrofobeerd te worden. 4.3.4 Aanvullende eisen Bij voegspecie of voegwerk met bijzondere eigenschappen of onder bijzondere omstandigheden kunnen aanvullende eisen aan de voegspecie en het voegwerk worden gesteld, zoals:
Voegwerk dient te worden uitgevoerd conform deze 'Uitvoeringsrichtlijn Voegen van metselwerk' met in achtname van de besteksbepalingen omtrent het type voeg en de kwaliteit (classificatie voeghardheid, en dergelijke). Voorts is CUR-Aanbeveling 61 "Het voegen van metselwerk" van toepassing. Indien vooraf overeengekomen met de opdrachtgever, dient keuring en controle te worden uitgevoerd overeenkomstig hoofdstuk 11 en 12 van genoemde CUR-aanbeveling. 5.1 Uitvoering 5.1.1 Transport en opslag van grondstoffen
Aanvullend op voorgaande geldt:
Met betrekking tot de dosering van bindmiddelen, toeslagmaterialen en eventueel hulpstoffen, moet voldoen aan NEN 5950. De verhouding bindmiddel/zand moet worden aangegeven in volumedelen. De dosering van toevoegingen moet plaatsvinden volgens de richtlijnen van de fabrikant/leverancier. Het mengen van de componenten moet op een zodanige wijze plaatsvinden dat een homogeen mengsel zonder kluiten wordt verkregen. Het mengsel moet tijdens het mengen en tussen het mengen en verwerken tegen ongunstige klimaatsinvloeden (regen, wind en zon) worden beschermd. Opmerking
Indien op de bouwplaats vervaardigde voegspecie mechanisch wordt gemengd dient dit te geschieden met een daarvoor geschikte menger. Aanbevolen wordt de voegspecie niet te mengen met een valmenger (betonmenger) maar gebruik te maken van mengers van het type dwang- of planeetmenger, dan wel de speciaal hiervoor ontwikkelde HST-menger. Het mengen van fabrieksmatig vervaardigde voegspecie moet plaatsvinden overeenkomstig de richtlijnen van de fabrikant/leverancier. De voegspecie moet binnen 2 uur na het aanmaken daarvan worden verwerkt. Opmerking
Het verdient de aanbeveling om gebruik te maken van KOMO-gecertificeerde grondstoffen. Deze materialen zijn geproduceerd en geverifieerd door onafhankelijke instanties en geven een betere betrouwbaarheid van productspecificaties dan producten die alleen met CE worden aangeboden. 5.1.3 Controle van de ondergrond Voor aanvang van het voegen moet de ondergrond op de volgende aspecten worden gecontroleerd:
5.1.4 Reiniging van de voegruimte De voegruimte moet van losse delen worden ontdaan. Daartoe moet het metselwerk met een harde bezem worden bewerkt, waarna losgehaalde delen met een krachtige waterstraal uit de voegruimte moet worden verwijderd. Onvoldoende verwijderde metselmortel dient te worden uitgehakt. 5.1.5 Tijdstip van het voegen Tussen het metselen en het voegen dient een tijdsverloop van ten minste 48 uur te worden aangehouden. Bij voorkeur dient er een tijdsverloop van 2 weken te worden aangehouden tussen het metselen en het voegen. Toelichting
Om te voegen mag het metselwerk niet te droog en niet te nat zijn. De ideale situatie is dat metselwerk eerst goed heeft kunnen drogen, waarna het royaal wordt voorbevochtigt. Vooral bij een weinig water absorberende steen verdient het aanbeveling zo lang mogelijk te wachten met het voegen. Daardoor vermindert de kans op latere uitslagvormen sterk. Ter voorkoming van kleurverschillen in het voegwerk ("steigerslagen") wordt aanbevolen beschermende maatregelen te treffen. 5.1.6 Voorbevochtigen van het metselwerk Te voegen metselwerk moet afhankelijk van het type steen/blok/element, de weersomstandigheden, en dergelijke, vochtig zijn. Bij aanvang van het werk mag er echter geen waterfilm en/of waterdruppeltjes (condensdruppeltjes) op de stenen, blokken of elementen en/of op de metselmortel aanwezig zijn. 5.1.7 Verdichten van de voegspecie De voegspecie moet bij het vullen van de voegruimte worden verdicht. De ingebrachte voegspecie moet beter worden verdicht naarmate een hogere voeghardheidsklasse is vereist. Bij een voeghardheid van VH45 mag alleen mechanisch worden verdicht. Toelichting
Betere verdichting kan worden verkregen door de voegspecie "drukkend" en niet "vegend" aan te brengen, door de voegspecie af te werken met behulp van een apparaat als de voegroller en vooral door zogeheten mechanische verdichting toe te passen. Onder "drukkend" vullen van de voegruimte wordt verstaan het vullen in een beweging loodrecht op het metselwerk. Van "vegend" vullen is sprake als de voegspecie meer in een strijkende beweging wordt ingebracht. Voor het realiseren van VH15 is geen bijzondere zorg vereist, met vegend vullen kan worden volstaan. Voor het realiseren van VH25 dient meer "drukkend" dan "vegend" te worden gevuld. Drukkend vullen vergt grote krachtsinspanning van de voeger en leidt tot versnelde slijtage van diens gewrichten. Vanuit ARBO-standpunt kan drukkend vullen daarom niet meer worden verlangd en wordt sterk aanbevolen voegwerk in de klasse VH35 en VH45 mechanisch te verdichten. 5.1.8 Uitvoering tijdens ongunstige omstandigheden Als kans op bevriezing van de voegspecie bestaat, moeten maatregelen worden getroffen die er op gericht zijn bevriezing van de nog jonge voegspecie te voorkomen. Bij hoge luchttemperaturen, maar vooral bij bezonning van het metselwerk, moet extra aandacht worden besteed aan de voorbevochtiging van het metselwerk, respectievelijk moet worden nabehandeld. Sterke bezonning moet worden voorkomen. Het voegwerk moet voldoende tegen extreme uitdroging door bezonning of (schrale) wind en beregening worden beschermd. De in de voegruimte aangebrachte voegspecie moet worden nabehandeld door middel van herhaald aanbrengen van water met behulp van een nevelspuit. 6.1 Voeghardheid van het voegwerk Het gerede voegwerk dient te voldoen aan de overeengekomen voeghardheidsklasse en eventuele overeengekomen aanvullende eisen. 6.2 Witte uitslag op het metselwerk Het metselwerk moet vrij van witte uitslag worden opgeleverd voorzover deze het gevolg is van uitvoeringshandelingen. Indien onderhavige uitvoeringsrichtlijn worden opgevolgd, kunnen als gevolg van de uitvoering nauwelijks witte vlekken ontstaan. Voor een nadere toelichting zie CUR-Aanbeveling 61 en de betreffende documentatie van de producenten van de stenen, blokken en/of elementen. 6.3 Voegdiepte van verdiept voegwerk Verdiept voegwerk dient te voldoen aan de voegdiepte en –tolerantie zoals overeengekomen met de opdrachtgever en gemeten volgens Bijlage 1 van deze uitvoeringsrichtlijn. Alvorens het werk te verlaten dient dagelijks en bij de oplevering door de persoon verantwoordelijk voor de interne kwaliteitsbewaking van het uitvoerend bedrijf een (eind)controle te worden uitgevoerd, waarbij ten minste de volgende aspecten dienen te worden beoordeeld en vastgelegd:
Indien vooraf overeengekomen met de opdrachtgever c.q. aannemer dient de voeghardheid te worden bepaald overeenkomstig CUR-Aanbeveling 61, hoofdstuk 12.3.1. nadat de voegspecie voldoende is uitgehard. De hiervoor toegepaste pendelhamer dient aantoonbaar regelmatig te worden gecalibreerd. De bij een ouderdom van 14 dagen gemeten voeghardheid, dient te voldoen aan de volgende keuringscriteria:
Bij de beoordeling van de voegdiepte wordt uitgegaan van een proefstuk of referentievlak van ca. 1 m². De metingen dienen uitgevoerd te worden met een gekalibreerde voegmeter zoals getoond in afbeelding 1.
Afbeelding 1. Voegmeter
1. Vaststelling van de voegdiepte Indien geen voegdiepte is overeengekomen dient deze te worden bepaald volgens deze instructie.
Bepaal het aantal controlemetingen aan de hand van het oppervlak metselwerk per project conform tabel 3. Tabel 3. Vaststelling van het aantal controlemetingen
3. Uitvoeren controlemetingen Voer het aantal controlemetingen conform punt 2 uit conform onderstaande instructies.
De tolerantie is +/- 1 mm per individuele meting van de controlemeting. Bij een grotere tolerantie wordt een afwijking gegeven. De voegdiepte is goed als minimaal 75% van de individuele metingen van een controlemeting voldoet. In tabel 3 is de afkeurgrens verder uitgewerkt. Voorbeeld 1: Stap 1 Meting nieuwe mediaan: 3-4-3-3-5 de mediaan is 3 5-3-5-3-3 de mediaan is 3 4-4-5-2-4 de mediaan is 4 de nieuwe mediaan is 3 Stap 2 Aantal m² metselwerk van het project < 100m² dus 4 controlemetingen. Stap 3 Controlemetingen: 4-3-4-5-3 1 afwijking 3-4-3-4-2 0 afwijkingen 2-2-3-3-4 0 afwijkingen 5-5-6-2-3 3 afwijkingen 20 metingen totaal 4 afwijkingen Stap 4 25% is 5 (zie tabel 3) 4 ≤ 5 dus het voegwerk voldoet Voorbeeld 2: Stap 1 Meting nieuwe mediaan: 3-4-3-3-5 de mediaan is 3 5-3-5-3-3 de mediaan is 3 4-4-5-2-5 de mediaan is 4 de nieuwe mediaan is 3 Stap 2 Aantal m² metselwerk van het project < 100m² dus 4 controlemetingen. Stap 3 Controlemetingen: 5-6-4-5-4 3 afwijkingen 5-6-5-4-4 3 afwijkingen 4-3-2-3-2 0 afwijkingen 1-2-3-4-5 2 afwijkingen 20 metingen totaal 8 afwijkingen Stap 4 25% van 20 is 5 (zie tabel 3) 8 ≤ 5 dus het voegwerk voldoet niet |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||